Grôôt Bossch dictee

Het Grôôt Bossch Dictee (GBD) is oorspronkelijk een evenement van cultuur-historische vereniging de Boschboom, de vereniging die per 1 januari 2014 is opgegaan als stichting in de Kring Vrienden van ’s‑Hertogenbosch.
Sprekers van het Bosch en andere belangstellenden grijpen jaarlijks deze gelegenheid aan om in de ongedwongen sfeer van de Bieb in de Hinthamerstraat hun kennis van het Bossche dialect te testen en om ook eens op schrift met dialect bezig te zijn. Met name voor zondagssprekers van het Bosch blijkt het een uitgelezen moment om buiten ‘de carneval’ een hele avond met zowel bekenden als onbekenden in het Bosch te kunnen praten.

Het GBD bestaat uit een dictee en een aantal meerkeuzevragen over Bossche uitdrukkingen. Hoewel er inmiddels een harde kern is ontstaan van bijzonder fanatieke vaste deelnemers, blijft het een wedstrijd met een knipoog, waar iedereen aan mee kan doen.

Belangstelling? Zelf meedoen? Klik op de knop ‘CONTACT’, rechts op de pagina. Als het aantal wedstrijdplaatsen al bezet is, kan men als toehoorder in het publiek meeschrijven en daarna het eigen werk corrigeren. Ook andere belangstellenden zijn van harte welkom in het publiek. Onder de menuknop ‘AGENDA’ staan de datum en aanvangstijd van het eerstvolgende GBD.


Agenda

Geachte liefhebber van de Bossche taal en cultuur,

Af en toe een mondje Bosch praten vinden veel inwoners van ’s‑Hertogenbosch en omstreken heel leuk want in dat Bossche dialect zit heel veel humor. Ook de in het Bosch geschreven teksten leest men graag, bijvoorbeeld de dialogen tussen Janus en Bet.

In het Bosch schrijven vinden de meeste mensen moeilijk. Toch zijn er jaarlijks flink wat deelnemers aan het Grôôt Bosch Dictee die zich met wat oefening de schrijfregels hebben eigen gemaakt. Welnu, beste liefhebber van de Bossche taal en cultuur, treedt in hun voet(schrijf)sporen en doe mee aan het Grôôt Bosch Dictee! De organisatie van dit fameuze dictee nodigt u van harte uit (weer) deel te nemen.Het dictee houden we in de meest geletterde omgeving die maar mogelijk is: De BIEB in de Hinthamerstraat.

We beginnen om 20.00 uur met het Grôôt Bosch Debutanten Dictee. Dit is een dictee voor enthousiaste beginners die een poging willen wagen de Bossche tong om te zetten in de juiste lettercombinaties, zonder dat zij met een “loodzware last” van heel veel fouten naar huis moeten gaan. Aan dit debutantendictee kunnen maximaal dertig mensen deelnemen. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt.

Om 20.30 uur start het traditionele Grôôt Bosch Dictee. Een dertigtal deelnemers zal in de gelegenheid worden gesteld om hun kennis van het Bossche dialect te testen met een dictee en een meerkeuzetoets van Bossche gezegdes en uitdrukkingen.
De samenstelling en de presentatie van de teksten zijn ook dit jaar weer in handen van Frank Finkers en van Ans van Dartel. Erwin Verzandvoort is de voorzitter van de jury en hij heeft het laatste woord bij het bepalen van de uitslag.
Als uw aanmelding door ons is ontvangen, sturen wij u de spelregels én de spellingwijzer toe, welke laatste tijdens het dictee vanzelfsprekend niet mag worden geraadpleegd.

Meldt u zich z.s.m., maar in ieder geval uiterlijk 2 april a.s., aan per mail: boschboomgbdmw@live.nl of telefonisch op (073) 656 32 01. De ‘wedstrijdstartbewijzen’ worden op volgorde van aanmelding toegewezen. Mocht u na aanmelding onverhoopt toch niet kunnen meedoen, geeft u dit dan tijdig aan ons door.

De datum voor 2016 wordt hier vermeld zodra deze bekend is.
Met vriendelijke groet,

Afdeling Stichting De Boschboom van de Kring Vrienden van ’s‑Hertogenbosch


‘nnen Bosschen bek

De Bossche stadstaal

Bosch wordt gesproken in de huidige gemeente ’s‑Hertogenbosch. Maar binnen de grenzen van de fusiegemeente wonen ook bewoners die van huis uit het dialect van Bokhoven, Engelen, Empel of Rosmalen beheersen. Zij wijzen erop – en niet alleen om emotionele redenen – dat zij geen Bosch spreken. Zeker het Rosmalens wijkt sterk af. Maar het dialect uit de naburige gemeente Vught valt zo goed als samen met dat uit Den Bosch. Sprekers van het Bosch kunnen vrijwel direct horen of iemand dezelfde taal spreekt dan wel een dialect uit de omgeving. Het Bosch onderscheidt zich vooral door de ‘eigen’ typische klanken. Maar ook binnen het ‘echte’ Bosch bestaat een aantal varianten.

Oud en jong

Zo bevat de taal van jongere sprekers steeds meer elementen uit het Algemeen Nederlands. Het dialect van hun ouders en grootouders staat verder af van de standaardtaal. Toch weet in het ‘jonge Bosch’ de karakteristieke uitspraak van de lange a en o, zoals in ‘grôôt’ (groot) en ‘gaon’ (gaan) zich moeiteloos te handhaven. Ook blijkt het gebruik van ‘gij’ (jij). ‘ge’ (je), ‘gullie’ (jullie) ‘’n bietje’ (een beetje) of ‘wittenie?’ (weet je niet?) geen probleem op te leveren. Werkwoorden als ‘tisse’ (op het puntje van je stoel zitten), ‘besniete’ (bezuren) en ‘blieke’ (stiekem kijken) komen met name voor in het Bosch van de oudere generatie(s).
Onder de gebruikers van het ‘rijpere Bosch’ kan de discussie over wat wel of geen correct taalgebruik is hoog oplopen. Bijvoorbeeld over de onvoltooid verleden tijd van werkwoorden als doen, leggen of naaien. ‘Hij din’ (hij deed) en ‘zij lin’ (zij legde) drukken hetzelfde uit als ‘hij lee’ en ‘zij lee’. De in-vorm is niet correcter dan de ee-variant; alleen is de laatste wel van recentere ontstaansdatum. ‘Hij nèèit d’r tussenuit’ (hij naait er tussenuit) kent soms de nevenvorm ‘Hij nèèit d’r tussenuit’. In dat laatste geval wordt de opmerkelijke realisatie van ‘nèèie’, en waarschijnlijk ook die van ‘drèèie’ (draaien), ‘krèèie’ (kraaien, werkwoord en zelfstandig naamwoord), ‘wèèie’ (waaien) en ‘zèèie’ (zaaien) niet meer ‘aangevoeld’.

Sociaal gebonden

Binnen de wallen bestonden tot na de Tweede Wereldoorlog wijken met een sterke interne samenhang. Die oude gemeenschappen bestaan niet meer. Voormalige bewoners gaven en geven aan dat elke wijk zo’n beetje zijn eigen Bosch had. Wat daarmee eigenlijk bedoeld werd of wordt, is dat de ene wijk ‘platter’ sprak dan de andere. Nog steeds zijn er wijken waar het Bosch meer aanwezig is dan in andere.

Ook het hedendaagse Bosch kan plat of nog platter klinken. Gebruikelijk is het om een driedeling te maken die neer komt op: Middenstandsbosch, Vol Bosch en Plat Bosch. Het Bosch van de voormalige Peer vaan den Muggenheuvel (Piet Lathouwers) is een exponent van het Middenstandsbosch. Het Bosch van Danny van Nimwegen, zanger en 11 jaar voorlezer van het Grôôt Bosch Dictee is van de ‘volle’ categorie. Op deze website is de stem van Danny op verschillende plaatsen te horen.

Het Plat Bosch wordt gekenmerkt door een uitspraak die harder klinkt, en gerekter en scherper overkomt dan de andere varianten. Je hoort het overal in de stad, maar het heeft een lage status. Daarmee lijkt het niet bij te dragen aan het image van de sprekers. Harry van den Berselaar ontmoette in de jaren dat hij interviews af nam geen enkele ondervraagde die van zichzelf vond dat hij of zij Plat Bosch sprak. De onderzoeker werd steeds verwezen naar iemand die dat platte wel zou beheersen. Zo sprak hij met heel wat ontkenners. Het Plat Bosch is klaarblijkelijk niet iets om prat op te gaan. Gerlaine Jansen deed onderzoek naar de verspreiding en waardering van het Bosch.

Om allerlei redenen verschillen dialecten van elkaar. Om de kenmerken van een lokale of regionale taal te beschrijven, wordt het Algemeen Nederlands (AN) als referentie gebruikt. Op die manier kun je zeggen dat de Bossche lange ‘a’ in ‘wij gaon’ langer klinkt dan die in het AN ‘wij gaan’. In Oost-Brabantse dialecten kun je horen ‘wij gon’, waarin de ‘a’ kort klinkt.


Geschiedenis – Van nul tot nu

In 1995 kreeg De Boschboom een verzoek van het Noord-Brabants Genootschap. ‘Of de vereniging mee wilde denken over de organisatie van plaatselijke dialectdictees en over de spelling van die hersenbrekers’. Frans van Gaal die toen voorzitter van De Boschboom was, zag een Bosch dictee wel zitten. Harry van den Berselaar zou de historische vereniging vertegenwoordigen in de Brabantse werkgroep.

Op dat moment telde Noord-Brabant al een aantal lokale dictees. In 1996 vond de eerste editie plaats van het Grôôt Bosch Dictee (GBD). In de Muzerije gingen 30 ‘Bossche prominenten’ de strijd aan met elkaar. Het publiek schreef mee. Het begin van een mooie traditie?

Zweten

Als het aan samensteller Harry van den Berselaar had gelegen, was het bij die ene keer gebleven. Bij het schrijven van jaargang 1996 had hij peentjes zitten zweten. Bosch spreken is tot daar aan toe, maar schrijven… Een Groen Boekje voor de Bossche spelling en een Bossche grammatica zouden in die periode wel handig geweest zijn. Zoals veel auteurs die aan beide zijden van de staatsgrens hun Brabantse dialect op papier willen zetten, koos hij voor de aanwijzingen van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde en voor het commentaar van een aantal ‘wijze mannen’.

Het vervolg

Er kwamen nog 10 edities van het GBD. Elke jaargang werd vooraf kritisch getoetst door wat een vaste ploeg werd: Danny van Nimwegen (voorlezer), Jan van Berkom (voorzitter jury), Lambert van de Wiel (organisator) en Erwin Verzantvoort. Als de stemmen staakten, vormde Danny de standaard. ‘Gij moet ’t uit oewen bèk kunne krijge’ (Jij moet het kunnen zeggen) werd een gevleugelde uitdrukking.

Het dialect mocht weer in Nederland. Ook het aantal publicaties over het Bosch groeide. Maar na 11 GBD’s vonden Harry (1947), Danny (1948)en Lambert (1932) het ‘genocht’ (genoeg). Ze zochten naar een jonge ploeg opvolgers. Editie 2007 is geschreven door Gerlaine Piters-Jansen (1972) om voorgelezen te worden door William Bekker (1970). De organisatie komt in handen van Erik Kuipers (1973). Jan van Berkom (na Frans van Gaal en Coen Free) al heel wat jaren juryvoorzitter, plus Erwin Verzantvoort blijven nog even ‘wijs’.

Na twee uitstekende dictees van de hand van Gerlaine Piters komt er opnieuw wijziging in de samenstelling van de groep die namens de CHV De Boschboom het dictee organiseert.

Maria Westerwoudt neemt de gehele organisatie van het Dictee over, Jan van Berkom draagt het jury-voorzitterschap over aan Erwin Verzandvoort. Frans Finkers, veelvuldig winnnaar van het dictee gaat vanaf 2009 de teksten schrijven. Die worden vanaf dat moment voorgelezen door het Bossche bèkske Ans van Dartel.

Van meet af aan is duidelijk dat Frank Finkers niet van plan is het zijn eerdere mededingers gemakkelijk te maken.

Niet alleen de deelnemers krijgen het zwaar te verduren, ook juryleden/correctoren Anne-Marie van den Berselaar, Annemie Heeren en Wilhelmine van den Heuvel hebben er hun handen vol aan.

Bossche uitdrukkingen en gezegdes blijven een vast onderdeel van het dictee.


De spelling van het Bosch

Al eeuwen buigen geleerden zich over de spelling van de Algemeen Nederlands. Iedereen weet wat daarvan het resultaat is. Dit maakt duidelijk dat het een hachelijke zaak is om voor een dialect een sluitende spelling te ontwerpen.

‘Hoe spel je het Bosch?

De Vereniging voor dialect en folklore ‘Rond Janus en Bet’ startte in 1979 (een jaar na de oprichting) met een kwartaalblad. Het motto ging luiden: ‘met het Bossche op de tong’. De aandacht voor het Bosch bracht direct de vraag mee: ‘Hoe schrijf je het Bosch?’ Advies kwam van Cor Swanenberg en prof. dr. P. Sterkenburg die hun aanwijzingen tijdens een lezing in respectievelijk 1982 en 1985 uitspraken. Na het optreden van Sterkenburg verzorgde Lex Reelick van het juninummer 1986 tot en met het einde van 1987 een rubriek waarin hij op een aansprekende wijze zijn eigen en toegezonden lexicologisch materiaal beschreef. Inmiddels had de redactie er al vanaf gezien om alle bijdragen die in het Bosch verschenen van een uniforme spelling te voorzien.

Nijmeegse adviezen

Het Bosch’Woordenboek dat in 1993 verscheen onder redactie van Lex Reelick, Cor Swanenberg, Erwin Verzandvoort en Michel Wouters, bevatte een voorwoord van drs. P.H. Vos. Hij was als redacteur van het Woordenboek van de Brabantse Dialecten werkzaam bij de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde. Een professional met een brede ervaring op het gebied van dialectspelling.
In zijn contacten met auteurs en werkgroepen propageerde hij een aantal praktische aanwijzingen. Twee ‘Nijmeegse adviezen’ vormden de leidraad voor Harry van den Berselaar toen hij aan de slag ging met de samenstelling van het eerste Grôôt Bosch Dictee (1996):

  • blijf zo dicht mogelijk bij de spelling van het Algemeen Nederlands
  • gebruik zo weinig mogelijk ‘tekentjes’ voor de uitspraak.

Overeenstemming

Van belang voor zijn aanpak was ook de aansluiting bij de traditie – onder meer gevolgd in het Bosch’ Woordenboek’ – om de eind- n te laten vervallen en de ‘stomme e’ weer te geven met een apostrof in bijvoorbeeld: ‘t (het), d’n (de), m’nne (mijn).
Dit alles zorgde ervoor dat er nauwelijks verschil ontstond tussen de spelling van het Bosch’ Woordenboek en die van het Grôôt Bosch Dictee. Op één punt kwam geen parallellie tot stand: in de spelling van de lange en verkleurde ‘o’. Deze voor het Bosch zo kenmerkende klank werd en wordt in het Bosch’ Woordenboek gespeld met behulp van een teken dat het betreffende woord volgt. Bijvoorbeeld ‘groot’ *. De * verwijst naar een klankkleur van de lange ‘o’ die overeenkomt met die in het AN ‘hooi’ en ‘hoor’. Het Grôôt Bosch Dictee maakt gebruik van het accent circonflexe, meergenaamd ‘het hoedje’.

Knelpunten in de spelling

De spelling van het Grôôt Bosch Dictee wil en kan niet elke nuance in de klankkleur vangen. De lange ‘a’ in ‘gaon’ (gaan) verkleurt meer naar de ‘o’ dan die in ‘aan’ (aan). De klinker in het Bossche ‘aan’ klinkt geslotener en nasaler dan in het AN-aan. In het Bosch wordt aangaan geschreven als ‘aangaon’, in de wetenschap dat die eerste lange ‘a’ ook een eigen kleurtje heeft. Een vergelijkbaar verhaal valt te schrijven bij de grafische weergave van andere klinkers en medeklinkers. De tekst van ‘Wè zeet uwes?’ gaat op diverse plaatsen uitvoerig op deze zaken in. De deelnemers aan het Grôôt Bosch Dictee ontvangen jaarlijks een spellingwijzer.


De Bossche grammatica

Tijdens het Grôôt Bosch Dictee 2003 mocht auteur Harry van den Berselaar het eerste exemplaar van zijn Bossche grammatica aanbieden. Dit deed hij aan Gerlaine Jansen, in 1997 winnaar van het GBD.

Het eerste interview voor zijn uitgave hield hij zo’n 30 jaar daarvoor met zijn peetoom Jan van den Broek, ‘steenhouwer aan de Grote Kerk’. Het duurde even, maar zijn in decennia opgebouwde verzameling gegevens leidde in de tweede helft van de jaren 90 tot een cursustekst voor het onderdeel ‘Bosch dialect’ binnen Boschlogie. Parallel daaraan schreef Van den Berselaar bijdragen voor Bossche Bladen. Dit alles vormde de basis voor ‘Wè zeet uwes?’. In deze uitgave vindt een beschrijving plaats van de klankleer van het Bosch, de woordvorming en de woordvolgorde. Ook is er aandacht voor een aantal opvallende woorden. Behalve de teksten van het ‘Grôôt Boch Dictee’ (1996 – 2002) bevat het boek ook 10 verhalen in het Bosch. Hierbij gaat het om familieverhalen die binnen de clan Van den Berselaar-van den Broek bekend zijn.

Het onderdeel ‘Bosch dialect’ binnen de cursus Boschlogie heeft over belangstelling niet te klagen. Boschlogie II bevat één inleidende bijeenkomst. Boschlogie III kent een module van vier bijeenkomsten. Deze is sterk praktijkgericht, waarbij de cursisten tijdens de vierde bijeenkomst een korte presentatie verzorgen. Gerlaine Piters-Jansen volgde in november 2006 als inleider Harry van den Berselaar op bij Boschlogie II en in het voorjaar van 2008 zal zij de module dialect binnen Boschlogie III overnemen.


Bossche teksten

In de loop van de jaren zijn regelmatig teksten in het Bosch op schrift verschenen. De spreuken van Domien van Gent, het winnende verhaal bij de Bossche verhalenwedstijd, een vertaling van een lied van Jacques Brel en een toelichting op ’t Gebet van Janus en Bet vindt u via het menu aan de linkerkant, evenals verwijzingen naar andere Bossche teksten. Veel teksten in het Bosch hebben wellicht de drukpers niet bereikt. De redactie van deze website wil graag geïnformeerd worden over het bestaan van deze al dan niet anonieme proza en poëzie.

’t Gebet van Janus en Bet

Op de hoek Vismarkt-Havensingel, vlak bij de Dieze staat het beeldje van Janus en Bet. Deze creatie van Zr. Jesualda Kwanten is een hommage van de Bosschenaren aan Henk Teulings (1900-1972). Hij bedacht beide figuren en becommentarieerde via hun tweespraak 15 jaar lang de kleine en grote gebeurtenissen in de stad. Veel mensen keken wekelijks uit naar de Bossche Omroep met daarin het in het Bosch geschreven ‘Gebet van Janus en Bet’. Begin 1995 zetten Daan Gielen en Willy Damen de rubriek een korte tijd samen voort. Na Willy’s overlijden in mei 1995 verzorgde Daan tot mei 2003 de wekelijkse aflevering voor de Bossche Omroep. Sindsdien verschijnt van zijn hand de tweespraak in de Nieuwsbrief van de cultuurhistorische vereniging De Boschboom.

Janus en Bet kregen zo’n bekendheid dat hun namen in 1978 de vlag gingen vormen voor de door Louis Aarts opgerichte ‘Vereniging voor dialect en folklore ‘Rond Janus en Bet’. Op 1 januari 2003 ging de vereniging samen met De Boschboom.

Henk Teulings was goed bekend met het Bosch. Ook op een ander podium wist hij deze kennis prima te gebruiken. Tussen 1947 en 1966 kroop hij jaarlijks met carnaval in de huid van Peer vaan en Muggenheuvel. In die rol werd hij overigens geacht Oeteldonks te spreken.

Het werk van de elkaar opvolgende auteurs van ‘’t Gebet’ is (nog) niet gebundeld. Het archief bevindt zich bij Daan Gielen.

Bossche Verhalenwedstrijd

Op 6 april 2005 vond voor de 10e maal in successie het Grôôt Bosch Dictee plaats. Om het bereiken van deze mijlpaal wat meer kleur te geven, schreef organisator De Boschboom een verhalenwedstrijd uit. In de oproep werden Bosschenaren-waar-ook-ter-wereld uitgenodigd om een verhaal van maximaal 500 woorden te schrijven, in het Bosch en over Den Bosch. De jury (die het uiteraard niet gemakkelijk had) wist na lang beraad een oordeel te vellen. Hieraan droeg het uitstekende gastheerschap van De Boschboom, hierin vertegenwoordigd door Lambert van der Wiel, in hoge mate bij.

De jury lette op de volgende zaken: actualiteit, originaliteit, verbondenheid met ’s-Hertogenbosch, kwaliteit van het gehanteerde Bosch en van de spelling, klassieke verhaaleisen (interne opbouw, spanning, ontknoping, karaktertekening) en op de verhaallengte.

De ingezonden verhalen bezitten in de ogen van juryleden Marianne Keser, Mira Ficq-Weijnen en Harry van den Berselaar voldoende basiskwaliteit en laten daarmee zien dat er genoeg onderwerpen zijn om over te schrijven, dat het Bosch geen literaire beperkingen kent, dat de spelling geen echt obstakel hoeft te zijn en dat er een enorme groei mogelijk is op het terrein van de klassieke verhaaleisen.

De eerste prijs ging naar Ans van Dartel – van Laarhoven (Heeswijk-Dinther) voor het verhaal ‘Integrere!’, dat u hieronder kunt lezen. Verder waren er aanmoedigingsprijzen voor Peter van den Groenendaal (’s-Hertogenbosch), Wil Koks (Vught), Joop Aarts (Bergamo – Italië) en Jo van Hoek (’s-Hertogenbosch).

Integrere!

door Ans van Dartel – van Laarhoven

Vleejaor kwam ons Natasja weer bij ons wône. Ze waar twee jaor in Amsterdam gewist, mar ze mork dè ze heimwee had naor Den Bosch. Ze hebbe daor gineens sjekeladebolle en de Sint Jan ok nie, ok nie, kwèèkte ze. Dan kredde vaneiges heimwee. Mar nao twee weke hadde wij ’t wel deur, ze waar verliefd en dè mènneke wôônde in Den Bosch! ‘Hoe hiet ie?’, vroege wij nuuwsgierig, want ge wit mar nooit, messchien kende wij z’n vader of moeder wel van vruger. ‘Adil’, zin ons Natas en meepesant viel er ’n stilte….
M’nne mens kreeg eerst ’n rôôd en toen ’n pèèrs hôôfd. Jizzus Marante…. ik waar himmaol over de kwèk! Mar we hebbe dè mènneke toch uitgenôdigd en wè denkte?
Zô bij d’n eerste ôôgopslag lekent ie ’n goej jong.
‘Kende gij de Sint Jan en bende de Dieze al ’s op gewist in zon botje?’, vroeg ik ‘m. Dè had ie nog nooit gedaon en al himmaol nie diejen tore van de Sint Jan beklomme.
Dus wij in’t kader van de integratie de godsganselijken dag mee de hille femilie deur de stad gebèmmeld. In de Sint Jan bij de Zoete Moeder, zin ik: ‘Kèk juske, Mohammed is veur jullie hil biezunder, mar de Zoete Moeder is veur de Bosschenare nog biezunderder.’ Daor had ie nie van terug.

Nao ’n half jaor waar ’t nog steeds koek en ei tusse die twee en mee ons ging ’t ok goed.
Half november kwam ’t kwèkfestijn d’r weer aan en ha’k m’n pèkske al klaor ligge om d’rhene te gaon. M’nne mens en ik wilde nèt vetrekke, staot Adilleke veur ons…. ‘Uwes bent vandaag uitgenôdigd om naor ’t suikerfeest te komme’, zin ie. Daor moese wij toch wel eve over klasjenere…. Uiteindelijk zijn we naor hullie feest gegaon, mar wel op één veurwaarde. ‘Kèk’, zin ik, ‘De carneval is ons feest, dus moete gij mee ons op sjouw, de Prins inhaole op Centraal’. Dè von Adil goed.
Wij naor dè suikerfeest. Niks mis mee, waar goed van ete en drinke, lèkkere hèpkes, hartelijk, en goej spul. Ok hadde ze veul zute kuukskes gebakke, daor kredde wel dorst van, dus ik docht wel dikkels aan m’n pilske…
’n Paor maonde laoter op zondaggemorge ware wij op ’t perron, tusse veul vollek om Prins Amadeiro te begroete. De nieuwe Peer waar d’r ok en keek onze kant op. Meepesant kwam ie breed lachend aanlôpe en ik docht, ‘nne leuke Peer en stak m’n èrrem al uit, mar wè denkte? Liep mijn gewôôn veurbij, regelrecht op Adilleke af! Zô zout ha’k ’t nog nie gevrete! Bleek dè die twee mekaore hil goed kende. Is dè wè! Efkes docht ik aan de carneval tijdens m’n jeugd. Toen stonde we hier op ’t perron met d’n hille frut te hosse en mar zinge: ‘Allah is grôôt, Allah is grôôt en Mohammed is zijn profeet.’ Wènne veuruitzienden blik wor… Witte trouwes wè Adil op z’nne kop had? ‘N’n tulband in de kleure rôôd-wit-geel en ammaol Oetels d’rop. As dè gin integrere is…..

Jacques Brels ‘Rosa’ in een Bossche vertaling

Halverwege de jaren negentig vertaalden diverse Brabantse schrijvers ter gelegenheid van de dialectdag in Lieshout een lied van Jacques Brel in hun eigen dialect. Harry van den Berselaar nam het lied ‘Rosa’ voor zijn rekening:

Rosa

Rosa, rosa, rosam,
rosae, rosae, rosa,
rosae, rosae, rosas,
rosarum, rosis, rosis.

Tangoow vol herinneringe
hil de schôôl die kos ‘m zinge
veur dè wij naor huis toe ginge
mee ons koppe vol Letijn.

Tangoow, die ons broekemanne
makte tot hil grôte Janne,
mar veur Piete en veur Stanne
toen al vol zat mi sjechrijn.

Tangoow, die ik achterhaol.
Ik zit wir in de studiezaol
waor ik Ovidius vertaol
om de flinken held te zijn…

Rosa, rosa, rosam…

Tangoow van de puberneuze,
van de deuze en de kneuze.
Gin van ons ha’ toen de keuze
dan z’n pappie achternao.

Tangoow van de slappe lulle
die mee zuurverdiende bulle
vaders droom moese vervulle:
“Gij gaot naor Amerika !”

Wèllek jaor bleef ik wir plakke
toen de tangoow me liet zakke ?
Ik had’t hillemaol te pakke
van m’n lieve nicht Rosa.

Rosa, rosa, rosam,

Tangoow van ’t zoute zoene
en ’t hostige ontgroene:
konde thuis uw broek afboene
want ons ma kik alles nao.

Tangoow van deurzwete nachte
d’èg-op mèskes lag te wachte.
’t Blif allinig bij gedachte,
vieze buukskes in de laoj.

T’is-t’r toch nog van gekomme.
‘k Sliep mi een van die schon blomme.
Nooit gedocht, dè is ’t stomme:
’t waar die lieve nicht Rosa

Rosa, rosa, rosam,

Tangoow van ’t zot geniete.
Waorom trek ik steeds de niete ?
Dus moes ik ’t zwaor besniete
in de ôge van mama.

‘k Ben nou zelf een van die here,
die mar blijve klasjenere,
volgestouwd gin bal prestere
in de ôge van papa.

Dus ok d’n tangoow van ’t gezeur,
nouw ik mi haore grijs van kleur
ontdek, onder de zute geur,
de stekels van m’n lief Rosa…

Rosa, rosa, rosam,
rosae, rosae, rosa,
rosae, rosae, rosas,
rosarum, rosis, rosis.

De verzameling van Domien van Gent

Van een bijzonder karakter is de verzameling ‘Bossche zegswijzen’ aangelegd door Domien van Gent. Een deel wordt via de werkgroep ‘Het Kleine Monument’ van de Kring Vrienden van ’s-Hertogenboch ‘versteend’ zichtbaar gemaakt in het Bossche straatbeeld. Bij de Kring Vrienden van ’s-Hertogenbosch is een wandeling te koop, die u langs de gevelstenen leidt.

De uitdrukkingen zijn over het algemeen kort en krachtig. Ze geven kleur aan het Bossche taalgebruik als stoplap, als stiltevuller, als bevestiger, als uitroep van irritatie, verbazing of verrassing, als krachtterm, als liefkozing, als doorpraatimpuls, etc.

De oorspronkelijke versies van de uitdrukkingen zijn op verzoek van de werkgroep ‘Het Kleine Monument’ enige jaren geleden door Harry van den Berselaar herspeld volgens de richtlijnen die ook bij het Grôôt Bosch dictee en in ‘Wè zeet uwes’ worden gehanteerd. Daarbij zijn op bepaalde plaatsen varianten opgenomen, zoals wor/war.

De ? of ! ontbreken in het oorspronkelijke handschrift nagenoeg, maar de lezer kan beide tekens er op heel wat plekken zelf bijdenken. Het gebruik van ……… betekent: onleesbaar handschrift van Domien.

Hier en daar staat achter een uitdrukking een ‘B’. Deze staat voor ‘Buiten de stad’ in ‘Dit zegt men net buiten de stad, zoals de reeks spreuken met ‘krèk’ erin.

De redactie bedankt de familie Van Gent voor de toestemming om de spreuken van Domien integraal op deze website te plaatsen. U vindt ze hieronder, in willekeurige volgorde.

Oe gotte kèk daor
Heur ik ’t goed
Dè’s me ok wè
Wè’s dè nouw
Kèk naor oeweige
Lao/Lo mar zitte
Lao/Lo mar gaon
Wè’n wir wor/war
Wè’n prent
Druk zat
Lig nie te flikkerstene
Deur-en-deur
Wè makte me nouw klaor
Mar ’n bietje
Mar veur efkes
Wè verschut
Houdoe wor/war
Gaoi ’s efkes opzij
Gaoi nouw gauw deur
Van oeweige gaon
Dè’s ok nie niks
Ochèrm
’t Is grôte schand
Denk-t-‘r goed aan
Ge moet mar denke
Wè zedde gij daor
As ge dè mar wit
Laot ik ’t nie merke
Nee, za’k nie zegge
Za’k mar zegge
Ik zeg mar wè
Wè zeet ie
Zôgezeed
Om zô ’s te zegge
Dè witte ooit nooit
Gè wit nooit nie
Gè wit ooit nie
Mooi nie
Ge zit ‘r mooi naost
Bekant ‘r naost
As ge dè beduult ‘B’
Bijlange/belange nao nie
Op oewe ponteneur staon
Ok ’n hèrreketèk
Ge doet ‘t/doeget nooit nie goed
Wèèit ‘r niks in
Wèèit ‘r niks uit
Meepesant
’t Is ammaol zô wè
En mar kwaoitonge
Ge pruuft ’t gelijk
Heet uwes wè?
Ge doet mar
Ge ziet mar
’t Is altijd wè
Wènne joekel
Vuulde’m
’t Is krèk naovenant ‘B’
Krèkke dreug ‘B’
Krèk wè’k wouw ‘B’
Krèk gelijk d’n dieje ‘B’
Krèk eender ‘B’
Krèk persies ’n keind ‘B’
De wèffere
Dè’s ’n ander verschil
Verrèk bende gij ‘t
Net zô min as ik
Houw-t-oewe kwèk
Houw-t-oewe kwebbel
Gif-t-‘m ’n hèndje
Gif-t-‘m ’n ei
Helegaor/Hillegaor verbèllemond
Eenenal kwaoiigheid
Aordig begaoid ‘B’ (vanwege 1e woord)
Vergimmes/Vegimmes laog
Ammenooitnie
Ginne ….
’t Gaot vaneiges
En gaot ‘t/gaoget
Daor gaot ‘t/gaoget nie om
Daor leet ie
Kèk nie op ‘nne prei ‘B’
Kèk veur oe
Kèk uit
As ge d’r mar afblèft
Ziede’t nie
Ziede’t wel (zitte)
Mak dè ge wegkomt
Komt-t-‘r nie aan
Ik zie oe gère/Ik zie-j-oe gère
Dè’k jouw hier nouw zie
Val kepot, leefde gij ok nog
Nèèi d’ruit/Nèèi-t-‘ruit
Veur paol staon
Kèts d’r tusse-n-uit/Kèts-t-’r tusse-n-uit
Hoe raoide dè
D’r achteraan
Aan ginne kant ‘B’
Ginderwijd/Ginterwijd is ’t
Hedde’t geheurd
Gaoi mar rechdeur
Ge deugt net zô min as
Achter oe
Lig nie te mèmme
Daor gaot ie hene
Staoi nie te meute
Zuuk ’t mar uit
Wit ik veul
Ok ‘nne lèkkere
Toch ’n bietje aorig ‘B’
Vernukt oeweige
Houw-t-oeweige veur de gèk
Staode weer/wir veuraan
Mee z’n alle bij mekaore
’t Is wir ’n hil eind/end
‘k Vuul d’r niks veur
Op ’t scheije van de mèrt
Net iets veur ‘n ….
Nie zonder erg
Keigoed zonne ….
Veusteveul
Daor hedde niks mee te make
’n Eind/End weg frutte
Ge kunt ’t nie laote
Laot/Lot ze mar doen
Lillek mar lèkker
Ge moet ’t aanvule
Dè ge dè nie deur het
Houw-t-oeweige zuut
Waor komde gij vandaan?
Van wie bende gij d’r ene
Toennette
Jao net
Zô is ’t mar net
Nee net nie
Ge lieg ‘t
Bè neeje
En gij geleuft dè
Meinde gij dè ‘B’
Jao mar nee
’t Is altijd wè (dubbel)
Witte gij dè
’t Is ongepermeteerd
Mee permissie
Wè duut ‘r dè nouw toe ‘B’
Kunde wel
Dè’s ok sterk
’t Is ie waor
Is dè ech waor
Mak-t-’t nouw
Nee indirect nie
Wè hedde daor nouw aan
Wè denkte
Dè bende zelf
‘k Gaoi op ’n ander
Ginderwijd/Ginterwijd


Andere Bosche teksten

  • In het blad van de Vereniging voor dialect en folklore ‘Rond Janus en Bet’ verschenen vanaf 1979 de nodige verhalen in het Bosch. Veel bijdragen kwamen van Isabel Mallant, Willy Damen en Frans Jordens.
  • Bij het 800-jarig bestaan van de stad in 1984 verscheen ‘Den Bosch op rijm. Een bundel Bossche gedichten’. De auteur is de hierboven genoemde Willy Damen (1931-1995). Thea Nijhoff verzorgde de illustraties.
  • Harry van den Berselaar lardeerde zijn beschrijving van het Bosch in ‘We zeet uwes?’ (2003) met tien in het dialect geschreven familieverhalen.
  • Den Bosch kent een lange traditie van ‘Bosch op het toneel’. De Bossche revue, Echt Bosch Theater, de (nog jonge) Madeira-cyclus zorgden en zorgen voor opvoeringen waarin het Bosch opvallend aanwezig is.
  • Hans Tervoort brengt als L. Vis door hem in het Bosch vertaald werk van Elvis Presley. Hij werkt ook aan de Bossche inbreng binnen een productie die moet leiden tot een Brabantse cd met nummers van the Beatles.
  • Ter gelegenheid van de boekenweek 2007 met als thema ‘De lof der zotheid’ verscheen de bundel ‘Goed gek’, waarvoor Gerlaine Piters-Jansen een kort verhaal in het Bosch schreef: ‘In de ban van de zotheid’.
  • Het carnaval (hier genoemd ‘de carneval’) zorgt al decennia lang voor een stroom van Bossche teksten. Aanjagers daarbij zijn ’t Kwèkfestijn, de Kletsavonden en het carnavalsprogramma.
  • Het carnaval inspireerde en inspireert steeds weer opnieuw artiesten tot opmerkelijke teksten in het Bosch. De broers Danny en Wim van Nimwegen zijn al jaren bijzonder populair in Den Bosch en ver daarbuiten. Zeer gewaardeerd is ook het trio ‘de Kleinkeinder’.
  • De meeste carnavaleske teksten verschijnen in onvervalst Bosch. Hier en daar is de invloed van het Oeteldonks aantoonbaar aanwezig. Het Oeteldonks, een kunstmatige taal die veel overeenkomsten met Bossche vertoont, is een zelfstandig taalkundig verschijnsel.
  • Monique Gloudemans schrijft gedichten in het Bosch om bij te glimlachen, lachen en huilen. Deze gedichten zijn, geïllustreerd door Bart Jansen, in 2007 uitgebracht in een bundel.


Oude dictees

2013 Lunse en brunse as vèrrekes
2012 Veurbereije op 2016
2011 Perlemoer in ‘t hèndje
2010 Gerùkten bukkem
2009 D’n heiligen Blasius
2008 Oranje
2007 Majesteit
2006 Uit de jong
2005 Mee bei oew hèndjes
2004 Adam en Eva
2003 Kluntjes
2002 ‘T vroege veurjaor
2001 Mooi war
2000 Deurlere
1999 De Dieze op
1998 Dag lieve moeder
1997 Mee mès en vurk
1996 Friet


Brabantse werkgroep

Geïnspireerd door het Groot Dictee der Nederlandse Taal (1990) ontstonden al snel ‘regionale varianten’. Het Groot Diktee van de Tilburgse Taol beleefde de eerste versie in 1994; het Grôôt Bosch Dictee volgde in 1996.
Het Noord-Brabants Genootschap greep in 1995 de belangstelling voor het organiseren van dit soort dictees aan om meer samenhang na te streven in de gebruikte spellingwijzers. Die ‘uniformerende’ activiteiten o.l.v. Mira Ficq-Weijnen groeiden uit tot een internationaal Brabants initiatief. Dit leidde tot de uitgave ‘Hoe schrijf ik mijn dialect? Een referentiespelling voor alle Brabantse dialecten’, Leuven 1999 (ISBN 90-334-4378-3, 80 blz.).


Groot Bosch Dictee enige aanwijzingen voor de spelling

In het algemeen geldt dat u zo dicht mogelijk bij de officiële spelling moet blijven. U schrijft dus: gebeurd = gebeurd, mooie = mooie, i.p.v. gebeurt en moje.

Enige voorbeelden vakwoorden in het Bosch’ dialect:

  • Bij de woorden “straot” en “naor” gaat het om “de lange aa”, die Bosschenaren ver achter in de mond een donkere kleur geven. Die “aa” lijkt dan op “oo”. Hoe schrijf je dat? Wij kiezen voor de “lange aa” = ao. Dus noar is fout en naor is goed.
  • Voorts het drietal: ’n – d’rre – ’s. In elk van de woorden zit een soort u-klank. De schrijfwijze zou dus kunnen zijn: un – durre – us. Wij kiezen voor: ’n – d’rre – ‘s – ’t
  • “Kijken” wordt uitgesproken als “kijke”. Wij kiezen dus voor “kijke”, zonder eind –n.

Spelling van klinkers:

a: a: hij had een keinderkartje gekocht
aa: aa: Saartje waar d’r ok
ao: hij gaot staon praote
e: e: ik heb
è: wè is dè? d’ès wè vèt spèk, verrèkte gèk! dè mèske kèkt naor m’n jèske
èè: wè zitte toch te drèèie
ee: ee: hij heet wè gevat
eej: en meej viet ie dè vast
i: i: ik heb gin mens gezien
ie: ’n bietje sèp
o: o: hij kopt goeie botter oo: oo: Joop
 ôô: wè is dè grôôt! wè gij, grote gèk!
u: u: muffe lucht
…. en ge het zon lekker kuntje (liedtekst); jungske ù: hùske, rùtje, schùfke, bùlleke, drùlleke, klùkske
’:’n vrouw – ’nne mens – d’n duim – kom ’s hier
ei: ei: kleinkeinder
eu: eu: gaot ’t nog deur?
uu: uu: mag ik ’n vuurke?
u: doe mijn mar van die grune


Contact

Mevrouw Maria Westerwoudt
tel. 073-6563201
email: boschboomgbdmw@live.nl


Publicaties

B. van den Eerenbeemt, Dialectgrammatica van het Bosch, Den Bosch, januari 1930

Hierin komen alle aspecten van het Bosch aan bod: klankleer, woordvorming, woordvolgorde, woordbetekenis. Van zijn studie bestaat één handgeschreven exemplaar, dat zich bevindt in de bibliotheek van de Radboud Universiteit Nijmegen.

A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, Fijnaart 1937

Zoals de titel al aangeeft, komt in deze dissertatie meer aan bod dan het Bosch. Sterker nog: het opsporen van de vindplaatsen waar het Bosch vernoemd wordt, vraagt enige inspanning. Regelmatig verwijst hij naar het werk van Van den Eerenbeemt. De gedetailleerde studie laat zien dat het Bosch op het grensgebied ligt van het door Weijnen onderscheiden Noord-Meierijs, Maaslands, Hollands-Brabants en Tlburgs. Ook doet hij de uitspraak dat er op dat moment in de stad door een bepaalde sociale laag nog een soort Bosch gesproken wordt dat dichter bij de omringende dialecten staat. De taalgrenzen tussen het Bosch en het Rosmalens zijn duidelijk uitgewerkt. Deze grenzen krijgen ook aandacht in: A. Weijnen, Den Bosch en Noord-Brabant, Brabantia Nostra 3, 1 (1937), pp. 57-61

J. Bruens, Spul van de Rul; Uitdrukkingen van Bossche kneupen, ’s-Hertogenbosch 1976

Een bijzonder smakelijke en vermakelijke uitgave, zeker ook door de illustraties van Guus Ong.

L. Reelick e.a. Bosch’ Woordenboek, ’s‑Hertogenbosch 1993

De redactie die deze uitgave samenstelde, heeft hiervoor geput uit de verzameling Bossche woorden en uitdrukkingen die in de loop van de jaren door Lex Reelick bijeen werd gebracht. Ze worden besproken tegen de achtergrond van de omringende dialecten.

Gerlaine Jansen , ‘Kun je door de bomen het Bosch’ nog zien?’ een onderzoek naar de linguïstische en sociolinguïstische status van het Bosch’ dialect, ’s-Hertogenbosch 1997

In haar doctoraalscriptie doet de auteur verslag van haar onderzoek naar de verspreiding en waardering van het Bosch binnen de verschillende stadswijken. Hieraan gaat een overzicht vooraf van de typerende kenmerken van de Bossche grammatica: klank, woordvorming, woordvolgorde, woordbetekenis. Zij vergelijkt haar bevindingen met die uit een eerder onderzoek naar dialectgebruik op de basisschool. Dit verscheen in 1975 als J. Jansen, Dialectgebruik op Bossche lagere scholen, Boschboomblad, ’s-Hertogenbosch 1975

Cor Swanenberg, ’s-Hertogenbosch, Honderd jaar Bossche stadstaal, in: Joep Kruijsen en Nicoline van der Sijs (red.), Honderd jaar stadstaal, Amsterdam/Antwerpen 1999, pag. 207-222

In deze uitgave wordt ingegaan op de ontwikkeling die 20 stadstalen in Nederland en Vlaanderen in een eeuw tijd doormaakten. De nadruk ligt daarbij op de ontwikkeling van de woordenschat. In zijn bijdrage laat Cor Swanenberg verschillende auteurs een aantal karakteristieken (voor de ontwikkeling) van het Bosch de revue passeren.

L. Reelick e.a., Bosch Woordenboek II, Aanvullingen, ’s-Hertogenbosch 2002

In de uitgave van het eerste deel speculeerden de samenstellers al op een vervolg. Deze verscheen met als ondertitel ‘Aanvullingen’, waarbij de redactie gebruik maakte van de talrijke reacties die zij in de tussenliggende jaren ontving. Er is speciale aandacht voor toponiemen en Bossche varianten van kinderliedjes en kinderspelen.

Harry van den Berselaar, Wè zeet uwes? Over de stadstaal van ’s‑Hertogenbosch. Met tien Bossche verhalen, ’s‑Hertogenbosch 2003

In deze uitgave komen alle aspecten van het Bosch aan bod: klankleer, woordvorming, woordvolgorde, woordbetekenis. Er is aandacht voor de varianten binnen de Bossche stadstaal. De tekst is toegankelijk voor een breed publiek, onder meer door de opname van veel – in de loop van jaren onderzoek – verzamelde voorbeelden.
Het boek bevat 10 familieverhalen die de auteur eerder voor (de kinderen van) zijn zussen schreef. Opgenomen zijn ook alle edities van het Grôôt Bosch Dictee, op cd ingesproken door Danny van Nimwegen.

‘Bossche Bladen’

De kwartaaluitgave ‘Bossche Bladen’ bevat al heel wat jaren de rubriek ‘Moerstaal’ met daarin bijdragen over het Bosch. Vaste verzorgers waren Harry van den Berselaar en Cor Swanenberg. De rubriek wordt sinds enige tijd voortgezet door Gerlaine Piters-Jansen en Jos Swanenberg.
Zijn bijdrage aan ‘Moerstaal’ sloot Van den Berselaar af met een drietal artikelen waarin hij de bevindingen uit Van de Eerenbeemts grammatica uit 1930 en die van hemzelf uit 2003 met elkaar vergelijkt in:
Harry van den Berselaar ‘Zoó gèk as әnә juin’,Twee Bossche grammatica’s, Bossche Bladen jrg.7, 2005, nr.3, pag. 108-109.
Harry van den Berselaar, ‘ənən houtərə klaas’, Twee Bossche grammatica’s (vervolg), Bossche Bladen jrg.8, 2006, nr.1, pag. 17-19.
Harry van den Berselaar, ‘ənə vèldbonk op ənə werkəndag’.Twee Bossche grammatica’s (slot), Bossche Bladen jrg.8, 2006, nr.3, pag. 121-123

Voor een overzicht van de artikelen verschenen in de rubriek ‘Moerstaal’ wordt verwezen naar de inhoudsopgave van Bossche Bladen.

‘Brabants’

Ook in de periodiek ‘Brabants’ (plus cd!) verschijnen bijdragen over het Bosch, waaronder:
Gerlaine Jansen, Tekenen van leven in het stadsdialect van ’s‑Hertogenbosch, in: Brabants, Jaargang 1, nummer 2, augustus 2004

Boschboom ‘Onder de Boschboom’

Vanaf 2004 verzorgt de Boschboom een wekelijkse column in de Bossche Omroep. Auteurs laten op persoonlijke titel ‘Onder de Boschboom’ onderwerpen passeren die de Bossche cultuur (in de breedste zin des woords) belichten. De website van de Boschboom geeft toegang tot alle afleveringen. Een aantal daarvan brengt de Bossche stadstaal ter sprake. Ze staan hier bij elkaar: U vindt alle columns door te klikken op het logo hiernaast en vervolgens door te klikken op ‘Onder de Boschboom’ in de menubalk’.

Terug naar boven